“Bid maar tot de Heilige Antonius,” zou mijn moeder me lachend gezegd hebben. Maar de patroonheilige van de verloren voorwerpen kan me weinig hulp bieden, zelfs al zou ik er in geloven. Het is ook niet ‘iets’ dat ik kwijt ben, ik ben ‘iemand’ kwijt.
(En daar ken ik de patroonheilige niet eens voor.)
(Eigenlijk ben ik ‘niets’ kwijt. En dat is nu net wat ik kwijt ben. Niet iets, iemand, niets.)
Ik leef al heel mijn leven met maskers. Niemand kent mijn echte, ware gelaat. ik ben zo één van die mensen met een hart zo groot als de wereld, iemand die anderen niet kan zien lijden, een hulpvaardig iemand (als ik daar toch even over mag opscheppen), maar tegelijk zo één van die personen die zelf niet geholpen wíl worden. Daarom is er met mij ook nooit iets aan de hand. Ik ben een altijd-even-gelukkig-persoon, een lach-grage-goedzak, een barmhartige Samaritan, en als ik anderen kan helpen dan kan ik mezelf ook troosten!
Een brede lach, dat is mijn wapen en schild tegelijk in deze wereld. Het staat gegrift op elk van de duizenden maskers die ik aan mijn kapstok heb hangen. Zonder kan ik niet buiten komen.
Maar nu zit ik hier, op mijn kot, mijn kamer, mijn wereld. En dan hoeven geen maskers, ik ben alleen, ik verschuil me niet voor mezelf. Ik voel me slecht, ellendig. Omdat ik hem kwijt ben, en Antonius niet helpen kan.
We braken met elkaar, als geliefden. Enkele weken later ook als exen, vrienden, kennissen, verre kennissen, herkennissen, totaal. Voor zijn eigen goed wil hij me een tijdje niet meer zien. Misschien is dat tijdje morgen afgelopen en gaan we wederom een pintje drinken met elkaar. Aan de andere kant kan ‘een tijdje’ ook voor altijd betekenen. Misschien komt hij er nooit meer bovenop. Misschien is de schade die ik aanrichtte bij hem te groot, onoverkomelijk, ongeneeselijk. Ik botste op hem als een brandende komeet, in volle vlucht. Ik sloeg in met zo’n geweldige kracht dat hij zijn baan helemaal kwijtraakte. En hij heeft ze ook nog steeds niet teruggevonden… Bidden tot de Heilige Antonius, zegt mijn moeder altijd.
Ik weet ook niet wat ik zou doen als ik weer een bericht van hem ontvangen zou. Zou ik een gat in de lucht springen? Misschien zelfs niet een eens reageren. Ik weet het niet meer. Ook ik voel me in de steek gelaten.
Mijn sterrenbeeld is vissen. Ik moet door, ik ga door. Zwemmen, tegen de stroom in, of je stroomafwaarts laten drijven. Meer keuze heb ik niet. Dus ik ga door. De wereld in, met mijn maskers. Ik wil er allemaal niet over nadenken. Ik mis hem, maar ik wil er niet bij blijven stilstaan, want dan ga ik achteruit, stroomafwaarts. Dus zet ik mijn glimlach op, met mij gaat alles schitterend, bedankt om het te vragen! En met jou?
Ik kan er niet tegen dat iemand me uit zijn leven schrapt. Laat staan dat die persoon ooit nog mijn alles was, en ik de zijne. Liefde vergaat niet meer als de wortels zo diep hebben gezeten. Maar ik kijk machteloos toe, omdat ik machteloos ben. Machteloos, maar met een grote (gemaskerde) lach.
En als bij toeval klinkt Dana Winner (ik weet het, misschien een beetje oubollig, maar toch een pracht van een stem) in mijn oren, die dit allemaal prachtig verwoordt:
Als ik `s avonds heel alleen ben, denk ik steeds even aan jou
en ik vrees dan de nacht, die vanzelf komen zal
ik hou me vast aan de gedachte dat je nog steeds bij me bent
omdat de leegte van eenzaamheid niet went
Mijn verstand zegt dat ik verder moet, ik weet dat ze het goed bedoelt
maar mijn hart schreeuwt vergeet niet wat je voor hem hebt gevoeld
ik hou me vast aan de gedachte dat ik je ooit terug zal zien
omdat ik weet dat ik dit afscheid niet verdien
(Uit: Stil de storm)
Met deze woorden sluit ik af.
Laat wat van je horen alsjeblieft. Schrap me niet.