Ze vallen, denk ik soms. En ze doen zelf niet de moeite om het één voor één te doen. Meteen met een hele hoop tegelijk, mij achterlatend met de scherven van verloren vriendschappen. Vergane schepen die overladen zijn met ongeziene schatten, de kans ontnomen om elke zilverling of smaragd te doen schitteren in weerkaatste zonnestralen. Scherven brengen geluk, zegt men. Door diezelfde men wordt ook gezegd dat rijkdom niet gelukkig maakt. Dit zou dus het kruispunt moeten zijn van het pure geluk. Ik bezit scherven en mijn onontdekte schatten zijn gezonken. Gek genoeg voelt het zo niet aan.
Vaak heb ik het woord ‘vriend’ al proberen ontleden, of er een definitie op willen plakken. Wie ga ik later, nadat mijn studies zijn afgerond nog regelmatig terugzien? En wie doet er nu aardig, maar is zich van mijn bestaan op dit moment niet eens meer bewust? Wie mist mij, zoals ik hen mis?
Iedereen die mij kent, als is het maar een beetje, weet dat vrienden mijn alles zijn. Toch zijn het net die vrienden, en beginnende met de beste eerst, die mij verlaten. Of mij verlaten doen voelen. Of misschien trek ik het me te hard aan, in deze melancholische regenbui van zelfbeklag. Als de zon schijnt, zal ik me wel weer gelukkig voelen. Zo ben ik, even wispelturig als dit Blelgische hondenweer.
Toch leef ik op dat kleine beetje van aandacht. Gisteren was heel mijn dag goed doordat ik één smsje kreeg van iemand die ik al een tijdje niet meer gehoord had. Ik straalde. Je mag het gerust weten, beste Steven. Ook al staat onze vriendschap nog maar net in de startblokken, je maakte me gelukkig.
Een mens is toch de marginaal van de vooruitgang. En dan heb ik het vooral over mezelf. Ben ik dan echt zo afhankelijk van een stomme sms, die niet meer dan 160 tekens bevat. Of een e-mail, gestopt in een virtuele postbus. Is dat moderne vriendschap? De rottende vrucht van technologie? Vroeger moest men nog moeite doen om iemand ‘dag’ te zeggen, dan werd elk bezoek gevierd omdat het zo weinig voorviel en was elk weerzien hartelijk. Nu kan je, met je luie kont in een lederen stoel geplant, je hele levensverhaal spugen op virtueel papier. Spreken is overbodig geworden. Gevoelens uiten evenzeer.
En ik ga er in mee, gewillig slachtoffer en zelfgeprezen held. Ik schrijf het allemaal van me af, in deze virtuele wereld van me. Mijn kont in een lederen zetel, mijn lippen verzegeld, maar mét gevoel. Laat me maar in mijn melancholisch en semidrepressief zelfbeklag. Laat me me vandaag maar wat ongelukkiger voelen, de zon kan niet altijd schijnen.
Misschien moet ik zelf nog eens iets van mij laten horen. Een smsje sturen, een uitnodiging, een zoen. Misschien wachten mijn vrienden daar ook op. Het is tweerichtingsverkeer hé, op het verlaten kruispunt van geluk.
Ik ga mijn bed in kruipen en mijn ogen sluiten. Om ze te kunnen openen en met mijn ander been uit bed te stappen. Je zal zien, dan zal de zon schijnen. Stralen zal ik.
Wandel door, mijn vriend, wandel door … En vind … vind … mijn vriend.
En ach … op een dag had ik precies jouw woorden van nu in mijn mond willen nemen … precies die woorden zaten toen al in mijn hoofd … en jij … was één van die schepen die zonken … in mij.